Ik wilde niet deugen

1963a

Amper achttien wilde ik niet deugen. Echt niet. Op de kunstacademie was ik al net zo recalcitrant als op de voorgaande onderwijsinstellingen, waar men mij liever zag gaan dan komen. En het scheelde niet veel of de schoolpoorten werden bij het eerste opmerken van mijn komst subiet vergrendeld om erger te voorkomen. Maar het werd toch nog erger. Ik ging gedichten schrijven over dubieuze onderwerpen, proza over schandelijke typen, aforismen waarin de mens smadelijk werd neergezet. En het werd nog veel erger. Ik schilderde monsterlijke mensen en zelfs soms mezelf. En daar bleef het niet bij want ik stak met meer dan gezonde regelmaat Gauloises in een van mijn mondhoeken om mijn omgeving in een intellectualistisch rookgordijn te hullen. Maar het ging nog verder. Met grimmige blik alsof ik de diepzinnigheid van de existentialist Jean-Paul Sartre trachtte te evenaren zat ik zwijgend in een hoekje van de vermaarde Bodega De Posthoorn, of vertwijfeld in café De Sport indrukwekkende opmerkingen te maken.

Maar ik raakte nog verder weg in de poel des verderfs, daalde af in diepzinnige romans, luisterde met zwoele blik naar jazzmuziek en het gonzend melancholieke stemgeluid van Juliette Gréco. Ik zag vaker de duisternis dan het daglicht dat mij niet velen kon. Mijn nappajasje was vrijwel altijd platzak en ikzelf ladderzat.

Maar kwam het ooit goed met mij? Een even scherpzinnige als noodzakelijke vraag. Ja lezers, het kwam toch ooit goed met mij. Ik verkocht mijn eerste verhalen, verkocht mijn eerste kunst en publiceerde mijn eerste dichtbundels. Er waren zelfs mensen die vonden dat ik steeds meer op een heer ging lijken. Toen ik echt een heer geworden was en geleerd had deftig te gesticuleren begon ik zelfs een kunsthandel waar vooral heren die ook geleerd hadden deftig te gesticuleren bezoeken aflegden. Soms zei iemand “ziedaar, hij is een heer, maar vroeger wilde hij toch echt niet deugen”.

Wanhoop dus niet voor mocht u niet deugen. Er komen altijd momenten waarbij u de laatste strohalm geboden wordt een dame of heer te worden. Als het mij zelfs gelukt is moet het voor u toch een koud kunstje zijn.

Advertenties

Kerstvertelling voor bij een knapperend houtvuur

Het had die week zo hard gewaaid dat de dakpannen van de havezate van de douairière uit louter ellende lagen te jammeren. Het Bekveldse landschap ging onder een dikke laag sneeuw verscholen en maakte iedere verplaatsing anders dan te voet tot een noodlottige wanhoopsdaad. In deze guurheid van de donkere dagen voor de kerst, griste de douairière in een aanval van drift de hoorn van de telefoon en eiste op bitse toon van de plaatselijke centrale onmiddellijk contact met Herberg Langeler.

“Ik ben al een week lang zonder mijn dagelijkse portie kaviaar,” riep ze zo luidkeels in de hoorn van de telefoon dat de gasten in de herberg verschrikt hun pul bier op tafel terugzetten en de schuimkragen tot schamele laagjes oplosten.  Nimmer hadden de bezoekers van de herberg zulk een bruut gekrijs hun trommelvlies horen teisteren en sommige van de gasten vreesden al dat hun laatste uur geslagen had.

“Maar douairière, gij weet toch ook dat door de vreselijke weersomstandigheden onze knecht zijn fiets niet kan beroeren. Daar komt nog bij dat onze bevoorrading ook grote achterstand opgelopen heeft. Ook wij moeten het met minder stellen, ” sprak de waardin met respectabele kalmte uit.

“Ik sterf hier van de honger. Mijn man zaliger zou als hij dit geweten had meteen zijn regiment op jullie afgestuurd hebben.”

“Mevrouw heeft toch nog wel wat aardappelen in de kelder?”

“Wel allemachtig, dat is voer voor de knechten. Wij eten geen aardappels maar kaviaar, korhoen, patrijs, hert, ganzenlever en truffels.”

Nadat de douairière zo hard de telefoon op de haak geknald had dat haar papagaai Brutus van schrik tien vleugelpennen verloor, sjokte ze naar de keuken en speurde in alle hoeken van de provisiekast naar de laatste restjes voedsel. Meer dan een voor het plotseling ontstane licht wegschietende rat was er echter niet te vinden. Er lag nog een halve rode kool te beschimmelen, maar die was voor de knechten. Die aten zulk onwaardig voedsel. Bovendien was de douairière geheel onbekend met het toebereiden van rodekool. Verder dan het opwarmen van een glas melk was ze nimmer gekomen en ook die handeling was op een fiasco uitgelopen.

Waarom toch had Heimert, de altoos trouwe huisknecht, zijn biezen gepakt nadat de bevoorrading van de havezate door de hevige sneeuwval begon af te nemen? En de dienstmaagden waren haar ook al door verraderlijkheid ontvallen. Nog waren in de bevroren laag sneeuw hun voetstappen richting Hengel te zien.

Het was juist dat moment dat de douairière door het gevoel gegrepen werd dat ze spoedig de geest zou geven. Ze kon Brutus als laatste redmiddel slachten. Maar nimmer had ze gevogelte zelf toebereid, laat staan dat ze ooit zelf tot een deftig garneren van gerechten gekomen was. En kon een vloekende papagaai wel lekker smaken, zelfs als die gelardeerd werd met een wildsaus met druppels armagnac?

Terwijl de kelder toch vol lag met eigenheimers voor de knechten, begon de douairière zich over te geven aan een vreselijk somberen en speelde ze op haar blokfluit een schril riedeltje van Bach, de componist die toch al geen vrolijke mens was. En alsof de duivel er mee speelde, begonnen ook reeds enkele voortanden wegens gebrek aan vitaminen de douairière te ontvallen.

In deze staat van ontreddering dacht ze terug aan haar man zaliger, majoor b.d. Lutger Haveloos van Hiertotgunder. Aan de moed die hij getoond had bij de slag bij Tjongetjonge, alwaar hij de artillerie opdracht gaf het vuur te openen. Al was hij door overmatig gebruik van oude jenever zodanig de richting kwijtgeraakt dat hem door de vijand de versierselen van Ridder in de Orde van de Zwijmelende Snuiter opgespeld werden en hij schielijk en met de staart tussen de benen na oneervol ontslag het leger moest verlaten. Want de kanonslopen op je eigen regiment richten gold in militair opzicht ook in die dagen niet als een gewaardeerde strategie.

Zou Lutger nog geleefd hebben dan zou hij zeker de gehele cavalerie op Hengel afgestuurd hebben met de opdracht op alle aanwezige proviand beslag te leggen. De staat van beleg zou uitgeroepen zijn en de douairière zou in alle rust een korhoen hebben kunnen afkluiven.

Toen het licht bij haar langzaam begon te doven nadat ze ook haar blokfluit als laatste brandstof opgebruikt had, besefte ze dat haar laatste uur geslagen had. Onder dit sombere gesternte begon ze zich over te geven aan de meest bizarre visioenen. Hoorde ze het klokgelui werkelijk of was dit slechts een voorbode van de laatste ademstoot die haar nog restte? En dat kwalijke gebonk op de deur dan? Was dat magere Hein met zijn sikkel die haar van haar aardse bestaan en kwellende honger ging verlossen? Dat Brutus zich overgaf aan een helse scheldkanonnade maakte dat ze zich even losmaakte uit deze onheilspellende angstvisioenen en met haar laatste restje kracht en hangend aan haar wandelstok met gouden knop trachtte ze zich overeind te trekken. Met vallen en opstaan, zich vastgrijpend aan de Louis Seize-buffetkast, wist ze de vestibule te bereiken en daar klonk het gebonk zo luid dat de plavuizen onder haar voeten trilden van ontzetting.

Dat achter de deur de dood haar opwachtte leek aan geen twijfel onderhevig en met haar knokige vingers greep ze de deurknop en gaf zich moedig over aan de ijzige winterlucht die haar met volle kracht tegemoet woei.

Maar het was niet magere Hein die haar opwachtte. Daar en met fakkels gewapend stond een herderlijk defilé van Bekveldse helden die de barre tocht naar de Havezate trotseerde om het leven van de toch allerminst als sympathiek bekendstaande douairière te redden van een wisse dood. Nog voor ze haar wandelstok driftig ten hemel kon richten werd haar boosheid gesmoord door de zalige geuren die haar in een dichte walm tegemoetkwamen.

Daar stond voorop de guitige licht aangeschoten troubadour Lammert ter Maat met naast zich de steenhouwer Henricus Menkveld met tussen zich een flinke pot ‘deur mekare met nägelholt’, waar de stemming van de douairière meteen door opklaarde. Achter het tweetal het olijke gelaat van de besnorde Egbertus Jolink met een gloeiende pan met bakbloedworst waar de vetdruppels nog van afdropen. En Riekus Smeitink die op zijn schouder een geroosterd varken torste dat een glanzende goudrenet tussen de kaken geklemd hield.  Alsof er maar geen eind aan kon komen, volgden Gradus Maalderink en diens eega Fryntje met een flinke pan griesmeelsoep op paardenbouillon. Ook Coenrardus Beunk, Arnoldus Steenblik en het ganse gezin Harmsen waren gekomen en sleepten een eikenhouten ton met zich mede waarin met diepe zwarte letters het woord G.R.O.L.S.C.H. was ingebrand. Deze kolos werd aangeslagen door de gebroeders en dorpsomroepers Baltus en Amandus Oldenhave, waarna een schuimende waterval de tinnen kruiken tot de rand vulde.

Nadat de douairière een kruik met het gerstenat uit de ton aan haar gerafelde lippen zette en een slok nam, was haar vreugde niet meer in te tomen. Niet eerder had ze zoiets zaligs over haar smaakpapillen laten vloeien en ze sprak de belofte uit zich nimmer meer aan champagne te wagen nu de engelen van Groenlo zulk een zalig plasje op haar tong geplengd hadden. Bij al de heerlijke spijzen  sprak ze haar verwondering uit dat de Bekvelders toch zulke heerlijke gerechten wisten toe te bereiden en zij die steeds als minderwaardig weggezet had. Nee, nimmer zou kaviaar, korhoen, patrijs, hert, ganzenlever en truffels op haar menu eisen. En wat was er tegen die heerlijke gepofte aardappel van eigen grond van Jodocus en Claertjen Wullink met een dikke plak zure zult en een kwak kwark?

In deze stemmingrijke sfeer maakte de douairière een vreugdedansje op het geroffel op de tamboerijn van Lammert ter Maat en las diens vader Adriaanus een vers voor uit eigen werk. In de meeslependheid van dit onstuimige feest beloofde de douairière plechtig ieder jaar voor alle Bekvelders de kerst te zullen vieren in de riante havezate. Dat het feest tot diep in de nacht voortduurde en de verslaggever te velde pas bij het eerste hanengekraai en zwaar in de lorum zijn bed vond zal geen mens verwonderen. Zelfs niet dat hij bovenstaande woorden met zijn ganzenveder en geplaagd door zware hoofdpijn in het trouwe perkamant kraste. De wijze woorden wie het kleine niet eert is het grote niet weerd zouden de douairière nog lang bij blijven en nog vele Bekvelders vreugdevolle kerstfeesten bieden.

 

 

 

“Het Veenspook” zeer vermakelijk gebracht door het toneelgezelschap Bekveld

Toneel 1

Klucht, krimi, horror, blijspel, romantische komedie, alle ingrediënten om het massaal toegestroomde publiek te vermaken zijn door de schrijver van het toneelstuk Het Veenspook D.J. Eggengoor, grif aangebracht.

Hier en daar licht gepeperd door de ietwat al te gretig de eerste helft van haar achternaam eer aandoende Charlotte Hunkermuller – want hunkeren naar de toch zeer gehuwde Mr. Eelco de Beer van het ministerie van WVC, die er zichtbaar moeite mee had de nacht buitenechtelijk met haar door te brengen – werd zeer frivool gespeeld door Jeanet Hebbink.

Vooral grappig te zien was dat de altijd drukdoende Bert Wissels, die de rol van Eelco speelde, zich slechts met de grootst mogelijke moeite de wulpse Charlotte van het lijf wist te houden, maar daar in de logementkamer waarschijnlijk minder moeite voor deed.

De rode draad van het toneelstuk was echter de handel en wandel van de zeer slonzige en zwaar jeneverende Marie van de in ernstig verval verkerende boerenherberg De Voort. Deze lastige en in tekstomvang zwaarste rol van het toneelstuk, werd meer dan uitstekend door Alien Maalderink, en comédienne waardig, op de planken gebracht. Al moet gezegd dat Annet Nab als de nuffige dienstbode Liesje van de Prottelkamp haar knap ondersteunde in amusante dialogen.

Hetgeen ook geldt voor Gerrit Smeitink, die de gortdroge scharrelaar Gore Gerrit zeer geloofwaardig ten tonele wist te voeren en dat zo levensecht deed, dat de schrijver dezes hem na de uitvoering even in zijn andere rol aansprak om er zeker van te zijn dat de ene Gerrit de andere niet is.

Lianne Jansen was zeer verrassend als de ietwat tuttige, licht neurotische en bij vlagen kakkineuze eigenares van het chique pension De Gouden Karper. Vooral haar tranendal aan de tafel van herberg De Voort was zo perfect geacteerd, dat het niet zou mogen verwonderen dat in de zaal naar de kanten zakdoekjes gegrepen werd, zij het om er de lachtranen mee te deppen.

Het licht in de duisternis in de vervallen herberg werd ontstoken door de verschijning van het zeer flamboyante nichtje van Marie, Betty Ceulemans, zeer luchtig en met flair neergezet door Ilse Bosman.

Dat haar hart sneller klopte van Bekvelds adonis Sander Hofs in de rol van Bennie van Leiden, die de grenscommies en held in uniform mocht spelen, zal in de zaal menig dameshart ook niet onbewogen gelaten hebben. Hoewel hier opgemerkt dient worden dat niemand ooit met zo veel verachtig smerige koffie de zaal in gesproeid heeft als deze George Clooney van de Bekveldse dreven. Het zal dan zeker geen Nespresso geweest zijn.

Last but not least de vrije jongen van het toneelstuk, die met een stemgeluid als van een kanselpredikant vanuit de zaal als stroper plotseling de bühne opstormde en zelfs heel even zijn loop richtte op het volle “terras”, zoals de volle zaal een paar keer genoemd werd. Naast de rol als postbesteller een veel te kleine rol voor iemand met zo veel talent als Robert ter Maat. Maar bescheidenheid siert deze Bekveldse held.

Samengevat, als de reeks lachsalvo’s die tijdens de uitvoering van Het Veenspook gemeten zou zijn, dan zou men elders in het land gedacht hebben dat ook in Bekveld de bodem beefde. Ware het niet, dat hier niets beefde maar bulderde van het lachen. En dat is precies wat een klucht hoort te doen.

Complimenten aan de acteurs, de regisseuse, de decorontwerper, de souffleuse en niet in de laatste plaats aan het bestuur van de Buurtvereniging Bekveld, de gastvrijheid verlenende familie Smeitink en alle vrijwilligers die deze voorstelling tot een groot succes hebben weten te verheffen.

Foto-impresie van de voorstelling:

Toneel 2In de grimekamer.

toneel 3Lianne Jansen en Alien Maalderink.

toneel 4Gore Gerrit en postbode Robert aan de jenever.

toneel 7Nee schat, nu even niet, ik heb hoofdpijn.

toneel 8Achter het doek.

toneel 9Annet Nab doet het knap.

toneel 10De flamboyante Ilse Bosman.

toneel 11Lianne Jansen weent.

toneel 12Toch een krimi?

 

 

Humor in Bekveld

De pers wordt op afstand gehoudenToen Wim Sonneveld zichzelf liet zeggen de humor ligt op straat meneer Sonneberg sprak hij de waarheid. In Bekveld ligt de humor echter niet op straat maar op de vruchtbare leemlaag van de Oude IJssel. En niet na in een lange rij gewacht en een duur toegangsbewijs aangeschaft te hebben, zittend op het pluche in een zaal, maar gewoon kosteloos op ’s heeren wegen van deze geliefde streek. Werd ooit in Nederland zoiets onzinnigs als vermakelijkheidsbelasting op het vermaak bedacht, in Bekveld gelden humor en vermaak als iets wat bij het dagelijks leven hoort en de zinnen dient te prikkelen en verzetten.

Bij deze conclusie dient echter nog iets anders opgemerkt te worden, namelijk dat de humor in de Achterhoek en dus ook in Bekveld toch weer een andere is dan die van de Randstad. Mag het dan zo zijn dat de Randstad vooral aan het lachen te brengen is als er iemand vreselijk te kakken gezet wordt zodat het lachen uit leedvermaak bestaat, in de Nedersaksische opvatting van humor, dus van Groningen tot in de uithoeken van de Achterhoek, is sprake van vooral het droge genre humor en zonder dat er slachtoffers bij vallen. En als geboren Groninger met Haagse roots zie ik meer in de droge dan in de natte versie van de humor.

De humor in de Achterhoek ligt op de leemgrond voor het oprapen, zoals mij bleek toen Joost Besselink en zijn supergeestige rechterhand, die geen hand maar een zwierige jongeman is, een sierhek kwamen aanbrengen en we er twee stand-upcomedians gratis bij kregen.

DSC04054 Joost Besselink & Co met cabaretvoorstelling.

Zeer recent werd ik met mijn neus nog eens op de harde feiten gedrukt tijdens de boerenbruiloft op Groot Sessink. Daar werd op een groot scherm de voetbalwedstrijd Bekveld-Costa Rica uitgezonden en kregen we naast het verslag van de NOS er een simultaanverslag van Jan Menkveld bij. Die nam in zijn geestdrift zelfs de taak van de scheidsrechter over en stuurde een Costa Ricaan wegens het dragen van een afzichtelijke haarband het veld uit. En als we Jan Menkveld zijn gang hadden laten gaan was er geen Costa Ricaan meer over om de strafschoppen voor zijn land ernaast te trappen.

DSC05047Jan Menkeld stuurt een Costa Ricaan het veld uit.

Eerder op de dag hield Robert ter Maat een conference plechtige toespraak ter inzegening van het huwelijk van de boerenzoon Hendriekus, Gradus, Lammert Pasman met de boerendochter Johanna, Drieka, Bertha van Groot Sessink, waarbij het onmogelijk bleek de lachspieren onaangeroerd te laten. Want als je ze toch hebt, waarom zou je ze dan ongebruikt laten. Zoals bij de meeste huwelijken de kanten zakdoekjes getrokken worden om in opperste ontroering het traanvocht te deppen, werden ze deze keer vooral gebruikt om de lachtranen in goede banen te leiden.

DSC04990Robert ter Maat veroorzaakt een tranendal.

Even vers in mijn herinnering ligt de conference van Wim Jansen, die in ’s-Graevenhaege hovenier genoemd zou worden omdat in die stad nu eenmaal de beide Koninklijke paleizen staan, maar zich in Bekveld groenaannemer noemt. Wat niet meteen betekent dat het zijn dagtaak is het groen van Grolsch uit Groenlo aan en in te nemen, maar dat hij ongeveer hetzelfde beroep heeft als een hovenier in ’s-Graevenhaege, maar het dan toch anders noemt. Dat de ’s-Graevenhaegse hovenier de nota met een hooivork schrijft en Wim Jansen met een pen, zal dan toch aan die twee paleizen liggen. Nou, Wim Jansen blijkt perfect een ‘s-Graevenhaegse hete aardappel na te kunnen bootsen. Zo eentje als de aristocratische opperstalmeester van een vroegere majesteit, die destijds zo treffend door Wim Sonneveld gedaan werd.

DSC04937Wim Jansen op zijn ‘s-Graevenhaegs.

Het moeizaam op klompen sjokkende bejaarde boerenechtpaar dat argeloze inburgeraars in Bekveld liever kwijt dan rijk was, tenzij zij zich bereid verklaarden in één slok een glas jenever achterover te slaan, kon er ook prima mee door.

DSC04545De jenever wordt duur betaald.

Dat er zeker sprake is van een typische Nedersaksische manier van humoropvatting mag blijken uit degenen die zich bevonden of nog steeds bevinden in het hoogste segment van dit vak met coryfeeën als Herman Finkers, Henk Elsink en de niet meer onder ons zijnde Willem Wilmink, welke laatste onder meer teksten schreef voor de legendarische televisieseries De Stratemakeropzeeshow en  J.J. De Bom voorheen De Kindervriend. En niet te vergeten, de beide Groningers Bert Visscher en Seth Gaaikema.

Misschien is dat Nedersaksische element ook de reden dat ik me persoonlijk zeer aangetrokken voel tot de Angelsaksische humor, die net zoals de Nedersaksische humor niet gewapend maar ontwapenend en non-agressief is. En omdat de keus daarin zo onmetelijk groot is lijkt een afsluiting met een legendarische dooie papagaai die het misschien toch niet is, op dit moment het meest geschikt.

Nu maar hopen op de Bekveldse Helden. Als ik het mocht zeggen, dan weet ik er wel een paar op te sommen die op de aanstaande versie van dit evenement er een hilarische avond van kunnen maken. Nee, namen noemen we nog niet.

DSC05049Jan Menkveld en Robert ter Maat vertolken het duet uit de Parelvissers van Bizet in het Achterhoeks.

Foto geheel boven: De man met de gleufhoed en de lange regenjas wordt op afstand gehouden.